Kaart van de aanwassen in het Dokkumerdiep


Home | Kaarten | Nieuwste aanwinsten | Kaart van de aanwassen in het Dokkumerdiep
Kaart van de aanwassen in het Dokkumerdiep
Datering: 1729
Bron: Tresoar

EEN AFDRUK VAN DEZE KAART BESTELLEN? KLIK HIER

Via het Dokkumerdiep had Dokkum eeuwenlang een directe verbinding met zee. De positie van Dokkum als belangrijke havenstad werd bekrachtigd toen eind zestiende eeuw de Friese Admiraliteit er gevestigd werd. Behalve handelsstad werd Dokkum zodoende ook een belangrijke marinebasis. De Staten-Generaal van de Republiek hadden verder Amsterdam,...

EEN AFDRUK VAN DEZE KAART BESTELLEN? KLIK HIER

Via het Dokkumerdiep had Dokkum eeuwenlang een directe verbinding met zee. De positie van Dokkum als belangrijke havenstad werd bekrachtigd toen eind zestiende eeuw de Friese Admiraliteit er gevestigd werd. Behalve handelsstad werd Dokkum zodoende ook een belangrijke marinebasis. De Staten-Generaal van de Republiek hadden verder Amsterdam, Rotterdam, Hoorn en Middelburg ‘benoemd’ tot Admiraliteitsstad.
 
Jammer genoeg voor Dokkum slibde het Dokkumerdiep steeds verder dicht. Al in 1631 gingen stemmen op voor de verplaatsing van de Friese Admiraliteit naar Harlingen, vanwege “de bequaemer situatie” van die stad. De daadwerkelijke verhuizing liet nog tot 1645 op zich wachten. Na bijna een halve eeuw was Dokkum marinehaven-af. 
 
Door het langzaam dichtslibben van het Dokkumerdiep was vroeg in de zeventiende eeuw al de gedachte ontstaan om het ‘Slijk van Dokkum’ droog te leggen. Daarmee zou nieuwe landbouwgrond ontstaan en zou de zee, die nog wel regelmatig voor overlast zorgde, worden beteugeld. In 1638 besloten Provinciale Staten om de aangeslibde gronden te verkopen en ze door de kopers te laten bedijken. Daar bleek echter geen belangstelling voor te zijn.
Blijkbaar bleef men zich in Dokkum en omgeving vastklampen aan de status van havenstad en was de heersende gedachte dat het droogleggen van de zeearm de doodsteek voor de stad zou zijn. Dat gold in elk geval voor burgemeester Jan Gerckes, zo blijkt uit een dagboekfragment van stadhouder Willem Frederik, die in 1647 een ontmoeting had met Gerckes:
 
“Saterdach Jan Geckes gesproocken, die mij seide dat het niet profitelijck solde zijn voor het landtschap, dat het slijck van Dockum verkoft en bedijckt wierde, omdat veul land in drie griteniën solde onder water lopen en dat de vaert nae Dockum heel soude met slijck gevult worden. Oock iss het landt binnen leger als buyten, soodat men de sluysen niet wel kan maecken, omdat se te hooch moeten sijn, alsoock de deuren van de sluys niet bestant kunnen sijn, omdat men se te groot en hooch moet maecken, om de schepen mit opstaende masten daerdoor te vaeren.”
 
Uiteindelijk bleek het tij toch niet te keren. Of eigenlijk juist wel, maar dan in letterlijke zin: in 1729 waren eb en vloed in het Dokkumerdiep definitief verleden tijd. In dat jaar werd bij Engwierum een nieuwe dijk aangelegd, de Statendijk, met daarin de Dokkumer Nieuwe Zijlen. Het hele project was een technisch hoogstandje dat maar liefst 300.000 gulden kostte.
 
Deze kaart uit 1729 laat mooi de loop van de dijken langs de oorspronkelijke zeearm zien, en het meanderende restant van die zeearm. Over het algemeen hebben de aangeslibde gronden inmiddels een eigenaar, zo blijkt uit de vermelde namen. Van een paar percelen is “de eigenaar onbekend”.
In de percelen die vielen onder de dorpsgebieden van Oostrum, Ee, Engwierum, Kollum, Oudwoude, Westergeest en Driesum zijn ook de oppervlaktes vermeld. In een tabelletje staan per dorpsgebied de totale oppervlaktes, en optelsom daarvan.
De overlay van de kaart in Google Maps laat mooi zien dat er na 1729 op verschillende plaatsen bochtafsnijdingen zijn gerealiseerd. De oude loop van het Dokkumerdiep is over het algemeen nog wel herkenbaar in het landschap, en in één geval ook nog bevaarbaar (het Dokkumer Ouddiep of Alddjip).  
 
Bronnen:
Betten, E. Het boek van de Ee (Uitgeverij Wijdemeer, 2014)
Wikipedia
 
Lees meer